naar hun aard

- Geschapen naar hun aard…

In Genesis 1 komen we herhaaldelijk de uitdrukking "naar hun aard" tegen. (vs. 11, 12, 21, 24-25)  We lezen hier, dat de Here God de planten, bomen, vogels, zoogdieren en vissen allemaal naar hun aard geschapen heeft.
Met de uitdrukking "naar hun aard" wordt letterlijk de unieke, erfelijke eigenschappen en kenmerken van de planten en dieren bedoeld.
Door deze unieke kenmerken werden tussen de verschillende planten en dieren duidelijke scheidslijnen aangebracht.

Een plant had weer heel ander erfelijk materiaal dan een vogel en het erfelijk materiaal van een vogel was weer heel anders dan dat van een vis.
Dit erfelijk materiaal is uniek voor de desbetreffende soort.
Het verandert niet, vermeerdert niet en wordt ook niet minder.
Mutaties leiden nooit tot evolutie maar juist tot degradatie en onvruchtbaarheid (bv. de muilezel).
De scheidslijnen tussen deze verschillende wezens zijn zo scherp, dat vermenging hiertussen onmogelijk is.
Het gaat hier om een biologisch gegeven dat geheel in strijd is met de evolutie theorie.

De mens werd echter naar Gods beeld geschapen en onderscheidt zich daardoor van de zoogdieren.
Zo is ook het erfelijk materiaal van de mens heel anders dan dat van apen waardoor mens en aap absoluut geen gemeenschappelijke voorouders kunnen hebben! 

 

Ontaard…

Door de zondeval werd de mens ontaard.
Zo lezen we in Filippenzen 2:15, dat we temidden van een ontaard geslacht leven.
In Romeinen 3:12 lezen we, dat alle mensen afgeweken zijn en onnut werden. In Genesis 6:5 lezen we hierover, dat de overleggingen van de mens te allen tijde slechts boosheid voortbrachten.
De mens, die naar Gods aard geschapen was, raakte door de zondeval zijn goddelijke aard kwijt, waarmee de mens ontaardde in het voortbrengen van goddeloze vruchten, vruchten waarover we ons nu schamen. (Romeinen 6:21)

De mens kan als ontaard geslacht geen goede vruchten meer voortbrengen. (Jacobus 3:11-12 en Mattheüs 7 : 16-18)

 

Een nieuwe schepping…

Alleen de wedergeboorte maakt een einde aan onze ontaarding.
Door de wedergeboorte blaast de Here God ons opnieuw het Goddelijke leven in, zodat we een nieuwe schepping worden…naar de aard van God Zelf.

Vanuit deze nieuwe situatie kunnen we ook weer vruchtdragen, overeenkomstig de nieuwe schepping waaraan we deel hebben gekregen.  Leest u maar in 2 Corinthiërs 5:17 en Galaten 5:22.

Gespreksvragen:

1.      Wat is de eerste voorwaarde om voor de Here vrucht te dragen?

2.      Hoe komt het, wanneer je als christen nalaat vrucht te dragen?

3.      Hoe kan ons leven meer (veel) vrucht dragen?

Om welke vruchten gaat het in een christenleven?