Jaargang 22 nr. 211 Juli / Augustus 2010

Pastory

Doe mij toch uw heerlijkheid zien. (Exodus 33 vs.18)

De Here God en Mozes hebben heel wat met elkaar gesproken. Veel van deze gesprekken zijn door Mozes opgeschreven en in de Bijbel terecht gekomen.

God sprak met Mozes altijd vanuit een wolkkolom. Mozes hoorde Hem spreken, maar zag Hem niet. Hij sprak heel vertrouwelijk met God als van aangezicht tot aangezicht. Het was echter steeds die wolk, die de Here aan het oog van Mozes onttrok. In dit vers toont Mozes zijn verlangen om de Spreker van deze stem te zien en zo dus God zichtbaar te ontmoeten.

Het verlangen om God te zien, leeft ook sterk in onze tijd. Velen willen Hem wel eens zien, Die door zijn Woord tot ons spreekt. Gods antwoord was echter: "Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven". (Exodus 33 vs.20) Zelfs voor Mozes was het onmogelijk om het aangezicht van God te zien, zou het dan voor ons wel mogelijk zijn? 

Vele eeuwen later, zo'n vijftienhonderd jaar na zijn sterven, brak voor Mozes echter wél het moment aan, waarop hij Gods heerlijkheid op aarde mocht aanschouwen. We lezen hierover in Mattheüs 17 vs.1-8 waar de verheerlijking van de Here Jezus op de berg beschreven werd. Mattheüs beschrijft hier hoe het aangezicht van de Here als de zon straalde en zijn klederen wit als het licht werden. De apostelen konden zo'n heerlijkheid niet verdragen en Hem doordoor niet aanschouwen. Later viel Saulus voor deze zelfde heerlijkheid op zijn aangezicht en bedekte zijn ogen die verblind werden. We lezen echter dat Mozes met de verheerlijkte Here in gesprek was en dat een wolk hem samen met de Here en Elia overdekte.

Niet alleen voor Mozes, ook voor ons komt er een moment dat we Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is." (1 Johannes 3 vs.2)

Paulus leert ons, "dat we nu nog door een spiegel, in raadselen zien, doch straks van aangezicht tot aangezicht." (1 Corinthiërs 13 vs.12) Wanneer we Hem gelijk zullen zijn en net als de Here verheerlijkt zijn, is het pas mogelijk om Gods aangezicht te aanschouwen.

Kennen wij dit zelfde verlangen van Mozes, om nóg meer van de Here te ervaren en Hem nóg beter te leren kennen? Mozes had al zoveel met Hem meegemaakt, maar er was nog meer!

De Here God nodigde Mozes uit om bij Hem in de rotsholte te komen staan om van daaruit de luister van de Here te zien. Deze rots behoorde waarschijnlijk bij hetzelfde rotsmassief dat door Mozes geslagen werd en waaruit het water tevoorschijn kwam. In 1 Corinthiërs 10 vs.4 lezen we dat deze rots Christus was. In Christus is de enige plek om nog meer van Gods heerlijkheid te ontdekken. Ook wij worden door de Here uitgenodigd om in deze rotsholte te komen, waar Hij ons met zijn hand bedekt voor de verterende heiligheid van God en we Gods stem horen: "Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontferm". In de NBG vertaling staat: "Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan". (vs.19) In de S.V. staat hier echter: "Ik zal al mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan". Broeders en zusters, er is zoveel goedheid in de nabijheid van de Here God. Laten we met groot verlangen naar de Here Jezus, onze rots, gaan om nóg meer van deze goedheid te proeven.

Wat zou het fijn zijn wanneer we in onze vakantietijd de gelegenheid hebben om, net als Mozes, die plek te zoeken om nog meer van Gods goedheid te ontdekken en te proeven. Hij nodigt ook ons uit met de woorden: "Zie, bij Mij is een plaats, waar gij  op de rots kunt staan; wanneer mijn heerlijkheid voorbij gaat, zal Ik u in de rotsholte zetten en u met mijn hand bedekken."

Wanneer u deze zomer misschien in de bergen een wandeling maakt, denk dan eens aan die rotsholte, waar u welkom bent om nog meer van Gods goedheid te proeven.

Van harte wens ik u allen, zowel hen die thuis blijven als hen die op vakantie gaan, hele fijne zomermaanden toe.

Een hartelijke groet van uw voorganger,

ds. Th. Niemeijer

Jaargang 22 nr. 210 Juni 2010

Wij toch zijn de tempel van de levende God... (2 Corinthiërs 6 vs.16)

Vorige maand hebben we het pinksterfeest gevierd en stonden we stil bij het verlangen van God om dicht bij de mensen te wonen. In Exodus 25 vs. 8 geeft Hij zijn volk de opdracht: "Gij zult Mij een heiligdom maken en Ik zal in hun midden wonen".  Het volk verzamelde al het materiaal dat voor de bouw van de tabernakel nodig was. Besaleël en Oholiab vervaardigden van dit ingezamelde materiaal, met allen van het volk die kunstzinnig waren, de planken, voetstukken en kleden voor de tabernakel en al het gerei dat er in stond en alles wat nodig was om God hierin te kunnen dienen. Tenslotte zien we dat Mozes alles goedkeurt, op z'n plek zet, bevestigt en zo de gehele tabernakel opricht. Zo was eigenlijk het gehele volk vertegenwoordigd bij het maken van de tabernakel, het was een stukje van hen zelf!

Zo'n 3500 jaar geleden vond het grote wonder plaats, dat God zijn intrek nam in deze tabernakel op aarde, die in het midden van de vier tentenkampen van Israël in de Sinaï woestijn opgericht werd. Op de eerste dag van het jaar, de eerste dag van de maand en tevens de eerste dag van de week vond dit wonder plaats. Gods vuur daalde neer op het altaar en ontstak het offer daarop. De wolk bedekte de tent der samenkomst en de heerlijkheid van de Here vervulde de tent.

Ongeveer vijfhonderd jaar later vond dit zelfde wonder plaats bij de oprichting van de tempel van Salomo: "Toen werd het huis des Heren vervuld met een wolk, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des Heren had het huis Gods vervuld". (2 Kronieken 5 vs.13-14)

Duizend jaar later werd dit wonder uiteindelijk vervuld, ook weer op de eerste dag van de week, toen Gods Geest op de pinksterdag te Jeruzalem in de gelovigen uitgestort werd. Gods vuur daalde neder en de gelovigen werden met Gods Geest vervuld. Voor de aardse tempel was de tijd voorbij. Het voorhangsel was gescheurd, de Hogepriester had zijn kleed gescheurd en niet lang daarna werd de tempel volledig verwoest. De gemeente was vanaf Pinksteren de nieuwe tempel, waarin God Zelf woonde. Leest u maar in Johannes 14 vs. 23 "...en Wij (God de Vader en God de heilige Geest) zullen tot hem komen en bij hem wonen. (door de heilige Geest)

Wat is het belangrijk, dat we ons er van bewust zijn, dat onze gemeente tot een tempel van de levende God geroepen is. Hierover haalt Paulus in het zelfde bovenstaande vers het volgende gedeelte uit Leviticus  26 en Ezechiël 37 aan: "Ik zal onder hen wonen en wandelen en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Zoals de Here in het midden onder zijn volk woonde, eerst in de tabernakel en later in de schitterende tempel van Salomo, zo woont Hij vandaag in het midden van de gemeente. Hij is het middelpunt van de gemeente, maar ook in ons persoonlijk leven, want ook ons lichaam wordt een tempel van de heilige Geest genoemd. (1 Corinthiërs 6 vs. 19-20)

In het boek Openbaring komen we de Here Jezus tegen als Hogepriester die tussen de kandelaren (gemeenten) wandelt en deze verzorgt. (1 vs.12)

In 2 Corinthiërs 6 vs. 16-18  worden we door Paulus verder opgeroepen om als gemeente onze bijzondere positie in de wereld in te nemen: "Daarom gaat weg uit hun midden en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. En Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochters zijn". Zowel de tabernakel als de tempel van Salomo hadden een afscheiding rondom met één poort daarin. Bij de tabernakel was het een wit linnen omheining, omhoog gehouden door een aantal pilaren en bij de tempel van Salomo was het een 'heilige' muur die de voorhof van de buitenwereld scheidde. De weg tot God liep altijd via de poort, die als eerste naar het altaar leidde, waarop het offer voor de zonden gebracht werd. De weg tot God loopt alleen via het kruis, waarop de Here Jezus voor al onze zonden de straf gedragen heeft en waardoor wij in gemeenschap met God mogen leven. Zonder 'afscheiding' zou Gods woning vertrapt worden door de wereld, waardoor er weinig van Gods heiligheid over zou blijven. Aan deze 'afscheiding' ontbreekt het de laatste tijd nog wel eens in de gemeente.  Met de hang naar wereldgelijkvormigheid en het binnenhalen van allerlei wereldse zaken in de gemeenten, verdwijnt Gods heiligheid en zijn aanwezigheid. De eerste gemeenten werden gekenmerkt door hun totaal andere levenshouding ten opzichte van de wereld om hen heen.

De tempel van de levende God te zijn, betekent vaak veel meer dan we denken. Het leidt tot een leven dat anders is dan het wereldse leven, een afgescheiden leven van de wereld. Het is zijn verlangen om onder ons, in ons te wonen. Krijgt Hij de ruimte die Hem toekomt, zowel in de gemeente als ook in ons persoonlijk leven?

Hij vervulde de tabernakel en daarna de tempel van Salomo met zijn heerlijkheid. Hij vervulde de eerste gelovigen met de heilige Geest. Het is zijn verlangen om ook nu de gemeente met zijn Geest te vervullen. Is dat ook ons verlangen? Ja, Hij wil ons persoonlijk vervullen met zijn Geest.

Zo mogen we samen zingen:

            Heilige Geest van God, vul opnieuw mijn hart (2x)

            Vul mij opnieuw, vul mij opnieuw.

            Heilige Geest, vul opnieuw mijn hart.

            (343 Opw.)       

Met een hartelijke groet van uw voorganger,

ds. Th. Niemeijer